Frenk der Nederlanden

Frenk de NederlandenChef Verslaggeverij en Buitenland bij het Parool

Hé Ouwe!

De wedstrijd was allang gespeeld – zij hadden er al zes in liggen, wij waren nog niet in de buurt van het doel geweest – maar toch was de vrede nog niet getekend. Gelukkig bleven de vijandelijkheden ditmaal beperkt tot de gebruikelijke scheldpartijen die elke zondagmiddag over de velden schallen: ‘homo’, ‘mongool’ en – voor de fijnbesnaarden onder de amateurvoetballers – het simpele maar o zo dodelijke ‘pannenkoek’.

Ik liet het maar begaan en trok me terug in de loopgraven van onze eigen verdediging, totdat de jonge spits van de tegenpartij ostentatief begon te klieren. Toen hij de bal na een overtreding ver weg trapte, riep ik hem tot de orde. Daar was het ventje echter niet van gediend. Hij riep iets wat ik niet kon verstaan, maar de verwensing eindigde op ‘ouwe’, en dat was niet positief bedoeld.

Ik haalde m’n schouders op – wijsheid komt met de jaren – maar de scheidsrechter, zelf ook al op leeftijd, blies doordringend op zijn fluit en maande het kereltje mij zijn excuses aan te bieden. Aldus geschiedde. We schudden elkaars hand en hij beloofde plechtig nooit meer ouwe te roepen.

Count your blessings.

Nergens anders wordt een mens zo sterk geconfronteerd met de eigen sterfelijkheid dan op het voetbalveld. Hoe kaler het hoofd, des te trager de sprint. De negentig minuten volmaken is eerder uitzondering dan regel, en de dag na de wedstrijd heeft de vijftigplusser het gevoel dat hij door een vrachtwagen is overreden.

Maar ook buiten de lijnen heeft het verval zich onvermijdelijk ingezet. Steeds vaker moet ik denken aan dat gedichtje van Simon Knepper:

De haardos valt gestadig uit
Voorts mis ik nu twee kiezen
Zo heb ik na verloop van tijd
Steeds minder te verliezen

55 ben ik nu, en dat is een bizarre, ja, surrealistische zin, zeker voor iemand wiens dochter gisteren nog vroeg of de muziek ‘alsjeblieft een tikkeltje zachter’ mocht. Van bedrijfswege werd ik bij mijn verjaardag verblijd met twintig zogeheten ‘ouwelullendagen’, die ik door het jaar heen mag opnemen om fit te blijven. Alsof ik me zelf al niet twee keer in de sportschool laat afbeulen door een jonge meid die me óók al ‘ouwe’ noemt als ze me door mijn hoeven ziet zakken: ‘Kom op, ouwe, je kan het!’

Het paradoxale is dat ‘wij ouderen’ tegenwoordig met zovelen zijn, dat we steeds interessanter worden voor de mensen die geld verdienen aan andere mensen. We hebben een eigen blad (Plus Magazine), een eigen beurs (de 50plusbeurs, ’s werelds grootste evenement voor actieve plussers), een eigen omroep (Max), eigen politieke partijen (van 50plus tot de Ouderenpartij), eigen datingsites (van 50plusmatch tot vijftigplusdating) en op internet zelfs een eigen startpagina, die uiteraard begint met een hoofdstuk over prostaatkanker (en vergeet ook niet even te klikken op ‘Alle facetten rondom uw overlijden’).

Ja, de dood zit ons steeds dichter op de hielen. Onlangs bezocht ik mijn 67ste uitvaart, en nu mijn moeder ook al niet meer leeft, ligt de jeugd definitief achter mij. Hoe ouder je wordt, zei de Vlaamse komiek Urbanus al, hoe meer je weet, maar je kunt er niet meer opkomen.

Maar wat zit ik nou toch te kniezen? Met een beetje mazzel ben ik nog maar net over de helft. Ik heb mijn eigen heupen nog, en onlangs las ik in de ‘blije bejaardenspecial’ van de Volkskrant de zin: ‘Rijp is lekker, verse waar een misverstand’.

Rijp is het nieuwe jong. Vergeet de geraniums, de gehoorapparaten en de aanleunwoningen. Het leven begint bij 56.

10 maart 2015/Frenk der Nederlanden